Hoofdstuk 1 – Mijn Geboorte (1020-1046): Van rots tot roem (2)
Deel 2 (1033): Geruchten van een naam Ik had muren, ik had bewoners, en ik had een naam die men fluisterde op de markt en riep naar een geit die koppig de verkeerde kant op liep. Toch hing er twijfel boven mij, als mist boven de Vesder. Had ik mijn naam nu al, of was ik nog naamloos, slechts een bouwsel op een rots? Sommige schrijvers beweerden later dat ik al in 1033 bestond, alsof er toen al een perkament lag waarop “Limburg” stond. Maar dat was niets dan dorpsroddel. De rivier wist beter: haar water droeg mijn geheim mee, kabbelend langs stenen en voeten die zich wasten na een lange dag werken. En zo bleef mijn naam in 1033 vooral een echo – hoorbaar in de lucht, maar nog niet gevangen op perkament. En toch zweefde mijn naam al rond. “Limburg,” bromde de smid bij elke hamerslag. “Limburg,” riep de herder, waarop de smid grijnsde: “Als jij zo doorgaat, noem ik straks mijn hamer ook Limburg.” Zelfs de kinderen zongen het, zonder idee wat het betekende. Het was een naam die klon...